Tony Schrijft

Plotse mildheid (plus Indië-toespraak)

augustus 18, 2012 | Author: Tony | Categorie: Brabants Dagblad,Columns

Column Brabants Dagblad plus Indië-toespraak

Zaterdag 18 augustus 2012

Plotse mildheid

Op het Indonesische eiland Sulawesi staat een gedenkteken waar je behoorlijk van in de war kunt raken. Tenminste als je uit Nederland komt en dus groot bent geworden met de geruststellende gedachte dat wij tot de nobelste volkeren dezer aarde behoren. Als wij naar de wereld kijken hebben wij het erg naar de zin. Wij zijn immers vredelievender en goedgeefser dan de meeste andere volkeren. Met dat idee is mijn generatie opgegroeid.
Het gedenkteken op Sulawesi is een nogal traditioneel ontwerp, zoals in ons land ook vele staan. Middelmatige steenhouwers hebben er gouden tijden aan beleefd. Links op de steen staan magere Indonesiërs met hun armen omhoog, rechts zien wij gehelmde militairen die er eng uitzien door hun vlijmscherpe bajonetten. Maar ook door hun grimmige koppen met vierkante kaken. Ik kende dat type al heel goed, op Nederlandse gedenkplaten zien onze bezetters er zo uit. Maar op Sulawesi, en nu komt de ontreddering, zijn WIJ het, wijzelf. Het zijn de gezichten van de soldaten van ons, een van de nobelste volkeren dezer aarde. Maar daar zijn wij in steen gehouwen als wrede bezetters.
Dat beeld heeft mij nogal aan het denken gezet. Dus toen ik werd gevraagd om op 15 augustus een toespraak te houden op de jaarlijkse Indië-herdenking in Den Bosch, was mijn thema meteen duidelijk: die verbijsterende gedenkplaat op Sulawesi. Het kwam ook mooi uit dat als thema van de herdenking dit jaar was gekozen voor ‘ontworteld’. Veel mensen die de oorlog in Indië hebben meegemaakt zijn daardoor ontworteld geraakt. Maar ik die goddank van na de oorlog ben, raak, zo bedacht ik bijdehand, juist weer ontworteld door wat ik daar op Sulawesi zag. Of door de gruwelijke foto, maar wel met knusse kartelrand, die recentelijk opdook: een greppel ergens in Indonesië die vol ligt met mannen die kennelijk door Nederlandse militairen zijn geëxecuteerd, door schutters dus als op die gedenkplaat. Dezer dagen komen dergelijke beelden uit Syrië, een jaar geleden uit Libië.
Ik mailde aan de voorzitster van de Indië-herdenking mijn eigentijdse thematiek. Na een paar dagen stilte stelde ze voor even bij me langs te komen om een en ander te bespreken. Dat rook naar onraad. Ik kreeg een heel vriendelijke mevrouw op bezoek. Zij had een volle map met Indië-documentatie bij zich, maar ook een boekje waarin een foto van haar staat als jong meisje in een Jappenkamp.
‘Wat u op onze herdenking wilt zeggen, is natuurlijk helemaal uw eigen keuze’, zei ze begripvol, ‘maar misschien moet ik u wel vertellen dat onze mensen er niet zo van houden dat er steeds weer allerlei wreedheden worden opgerakeld. Die moeten niet verdoezeld worden, maar het zijn excessen.’ Wij praatten nog enige tijd over de ellende van doofpotten, die immers altijd averechts werken. Bij de deur wenste ze mij nog veel succes met het schrijven van mijn toespraakje.
De dagen erna zag ik op mijn netvlies steeds die foto van haar als meisje in dat gruwelijke kamp. En in gedachten zag ik mijn toehoorders al bij hun monument zitten: mannen en vrouwen op leeftijd, allemaal de oorlog in Indië meegemaakt, allemaal hoofden vol herinneringen die vaak bepalend zijn geweest voor de rest van hun leven. En moest iemand als ik, die altijd in vrijheid heeft geleefd, nu eventjes komen vertellen wat er zoal schortte aan hun gemeenschappelijke verleden?
In een opwelling van plotse mildheid probeerde ik die gedenkplaat op Sulawesi te vergeten en ben ik gaan vertellen over een Tilburgse dwangarbeider, wijlen Ad Silvius, met wie ik in 1985 langs de resten van zijn Birmaspoorweg ben getrokken. Zelf had hij nimmer wreedheden begaan, wel waren hem veel gruwelen aangedaan. Toch was hij een mild mens. Ik overdacht wat hij zou willen dat ik op 15 augustus bij het Indië-monument zou zeggen. En toen heb ik het op zijn manier gedaan.
+++

Intro
In zijn column vraagt Tony van der Meulen zich af wat je als spreker op een Indië-herdenking kunt zeggen, en wat niet. Deze toespraak hield hij woensdag 15 augustus bij de herdenking in Den Bosch.

“INDIË INTERESSEERT NEDERLANDERS NIET”

“De meeste mensen die in Indië de oorlog hebben meegemaakt praten daar nooit over. Misschien omdat ze vreselijke dingen hebben beleefd. Omdat ze jaren in een Jappenkamp hebben gezeten. Of omdat zij doodsbang zijn geweest door de Bersiap-terreur. Maar zij zwijgen vooral, denk ik, omdat de Nederlanders hier het toch niet snappen wat daar in Indië is gebeurd, want in feite interesseert het hen maar bar weinig. Kenmerkend daarvoor was de kille ontvangst van degenen die terugkeerden naar Nederland. Als ik die verhalen hoor, word ik steeds weer bevangen door ongeloof. En door plaatsvervangende schaamte.
In 1985 ben ik als verslaggever met een voormalige KNIL-soldaat uit Tilburg, Ad Silvius, teruggaan naar de Birma-spoorweg waar hij zijn slavenarbeid had verricht. Vanuit Soerabaja, waar hij gelegerd was, was hij op transport gezet, zoals vele duizenden mannen die toen in Indië woonden.
Vooraf viel me op hoe weinig er hier over de Birma-spoorweg geschreven is, terwijl dit drama tot de grootste misdaden uit de Tweede Wereldoorlog behoort. Alle landen waarvan onderdanen aan die gruwelijke spoorweg zijn afgebeuld hebben ergens langs de River Kwai een gedenkteken staan of een eigen museum, behalve Nederland. En toen de hel voorbij was, was Nederland ook het laatste land dat op het idee kwam dat de eigen mensen, die het op wonderbaarlijke wijze overleefd hadden, misschien wel moesten worden opgehaald.
‘Het interesseert ze hier toch niet’, zei Ad Silvius in zijn huis aan de Corellistraat in Tilburg toen we onze expeditie aan het voorbereiden waren. ‘Je kunt er wel over willen schrijven, maar dat lezen ze niet’.
We gingen op pad, eerst met het bekende treintje naar Nam Tok, toen met een boot over de Kwai. Hoe dichter we wij de plek kwamen waar Ad een slaaf was geweest, hoe meer hij er tegenop zag. Maar hij begon er ook steeds meer over te vertellen. Over de honger en de dorst, over de Koreaanse bewakers die, je houdt het niet voor mogelijk, nog weer wreder waren dan de Japanners. Over de executies die hij moest bijwonen en die je nooit meer vergeet.
En op een avond, toen wij naar de vuurvliegjes boven de Kwai keken, vertelde hij over zijn grote gevoel van ontheemdheid. ’s Winters woonde hij in Bangkok, ’s zomers in Tilburg, maar waar hoorde hij eigenlijk bij? Als je in het diepste ravijn van het menselijk bestaan bent geweest, raak je van pure ellende zo ontworteld dat je daarna nergens meer echt wortel schiet. Ook daar wordt een mens zwijgzaam van.
In latere jaren ben ik een paar keer met Ad Silvius naar een Birma-reünie in de Rai geweest, alle werkkampen langs de spoorlijn hadden hun eigen tafels. Onder de naam van het kamp van Ad dronken wij jenever en genoten wij van een voortreffelijke rijsttafel. Het was heel gezellig, vooral ook omdat niemand praatte over het gemeenschappelijke verleden, op een enkel onschuldig grapje na.
Later heb ik een boek geschreven over de Birma-spoorweg met als titel: Dansen op de Kwai. Want bij de beroemde brug liggen nu drijvende danstenten afgemeerd, met vooral in het weekend bonkende muziek. Ad Silvius vond dat niet erg, ‘de jeugd wil ook wat’, zei hij mild. Maar wat hem wel schokte was dat mensen in de nieuwe dorpen langs de rivier geen weet meer hadden van de spoorlijn die hier was aangelegd en daarna weer gesloopt.
In een dorp waar de lantaarnpalen roestende rails waren van de Birma-spoorweg beweerden de mensen bij hoog en bij laag dat wij ons ernstig vergisten, een spoorlijn was daar nooit geweest. Toen kreeg Ad Silvius de tranen in zijn ogen: de wrede periode die de rest van zijn leven had bepaald, had voor deze nieuwe generaties niet eens bestaan. Zelden heb ik de zinloosheid zo nabij gevoeld. “

Reactiemogelijkheid is gesloten.

Anoniem - Gravatar

Je kunt niet reageren op dit artikel.

Reageer