Tony Schrijft

Het leven rond een Brabantse fanfare

maart 25, 2009 | Author: Tony | Categorie: Artikelen,Vrij Nederland

het leven rond een brabantse fanfare

HEEL ERG SAMEN MET ONSZELF

geen generatiekloof, allochtonen of wereldpolitiek In het Brabantse dorp Zijtaart. Wel een fanfare, waar men elkaar vindt in levenslange vriendschappen. Benauwend? Ach. ‘De meeste mensen hier willen niet afwijken. Waarom zou je?’

De trommels klinken zwaar en het koper van de uitgelatenheid vertolkt nu vooral weemoed en verdriet. De fanfare Sint Cecilia neemt met een treurmars afscheid van een overleden vriend terwijl de kist over het kerkhof wordt gedragen. Zo gaat dat al meer dan een eeuw, en steeds maakt het grote indruk.

Het kleine Oost-Brabantse Zijtaart, onderdeel van de gemeente Veghel, ligt geïsoleerd. De Zuid-Willemsvaart doorsnijdt al sinds 1825 de weg naar Veghel. De dorpskern telt 1033 mensen, in omliggende buurtschappen en boerderijen wonen nog 530 Zijtaarters.
Er zijn twee kroegen, een fietsenwinkel, een kapper, een winkeltje voor dagelijkse boodschappen, een basisschool en een dorpshuis. De Van Zutphens, de Habrakens, de Van Asseldonks en die paar andere grote Zijtaartse families, vanouds allemaal kleine boeren en handwerkslieden, waren altijd op elkaar aangewezen. En dat wordt tot op heden vooral ervaren als veilig en gezellig. Zijtaart blijft Zijtaart, niet door de buitenwereld te verafschuwen, maar door de eigen waarden te koesteren. De vertrouwde klank van de fanfare symboliseert het dorpsleven.

De katholieke kerk speelt ook hier geen bindende rol meer. De tijd dat nog bangig werd opgekeken tegen een pastoor die het ongehuwd tongzoenen bestreed, is allang voorbij. Dat begon al toen de pastoor tijdens de Tweede Wereldoorlog aan Haske Kuijpers vroeg waarom zijn vrouw Miet niet meer zwanger werd, en Haske zei: ‘’t Is mèn Miet en daar doe ik mee wat ik wil.’

Het zijn niet alleen de oude families die Zijtaart bij elkaar houden, maar ook de meer dan vijfenveertig verenigingen en stichtingen, variërend van de biljartvereniging Poedel-pret en het jeugdkoor Dynamic tot en met het Paardenfonds. Een van de grootste is de
107-jarige fanfare Sint Cecilia, die sinds 1975 musiceert op het hoogste niveau, zowel regionaal als landelijk. Fanfare Sint Cecilia Zijtaart bestaat uit vijfenveertig muzikanten. De slagwerkgroep telt veertien leden, het opleidingsorkest zestien. Daarnaast zijn er nog groepen leerlingen, is er binnen de fanfare een aparte blaaskapel – De Boemelaars – en zijn er vier-enzestig majorettes. Zeventienjarigen maken eendrachtig muziek met zestigplussers; hier bestaan nog stamverbanden waarbij generatieverschillen lijken weg te vallen. Maar is het niet ook een beetje benauwend als je jong bent in het alles omarmende Zijtaart? En hoe vergaat het hier een Pool? Of een
lokale homo?

Ge•soleerde missiepost

De zesjarige Hugo was op het dak van een boerderij geklauterd en door een brekende lichtkoepel naar beneden gestort. Het bloed stroomde uit zijn hoofd, paniek alom.

Even verderop woont Hugo’s opa, Louis van de Bilt (70), een internationaal georiënteerde zakenman in ruste. Al dertig jaar bewonen hij en zijn vrouw Jeanne de voormalige pastorie. In Zijtaart wordt over iedereen veel gepraat, niet alleen omdat je sneller aan bod komt als ergens 1563 mensen wonen, het is ook sociale belangstelling. Als het Louis betreft, dan gaat het over zijn vermoede rijkdom, maar vooral over zijn vermoede wijsheid. Daarom is hij president van de fanfare Sint Cecilia.

Louis van de Bilt dacht zijn dorp al goed te kennen, maar op de dag dat zijn kleinzoon Hugo die smak maakte, werd aan zijn band met Zijtaart toch nog een dimensie toegevoegd. ‘Het was nog maar net gebeurd en iedereen sprak mij meteen aan. Men wil precies weten wat er aan de hand is. Als iemand hier ziek is, zijn wij daar ook allemaal bij betrokken. En als de kerkklok begint te luiden, wil je meteen weten: wat is er met wie gebeurd? In negentig procent van de gevallen weet je het ook al. Op de seniorentennisclub zijn wij de eerste tien minuten bezig het hele ziektepatroon in het dorp door te nemen. Dat kan benauwend klinken. Maar er gaat ook een enorme betrokkenheid, saamhorigheid en zeg maar, troost vanuit. Het hoofd van de school zat hier na de val van Hugo met de tranen in de ogen in de stoel: hoe moeten wij als leerkrachten hiermee omgaan? Het is met Hugo goddank helemaal goed gekomen. Maar hoe het dorp er op reageerde, heb ik ervaren als, ja hoe zeg je dat: een liefdevolle geborgenheid.’

In de hal hangt een schilderij van de kerk en de pastorie in het jaar van de oplevering, 1872. Eenzaam staan zij in de lege Brabantse hei, omgeven door slechts een paar huizen. Als een geïsoleerde missiepost. Zijtaart is klein gebleven – het dorp heeft nog geen vierhonderd adressen – maar de industrieterreinen van het nabije Veghel sluipen dichterbij, als kruiend ijs. Het lijkt een kwestie van tijd voor de fabrieksblokken het dorpje van de kaart schuiven. Fase 3 van de industriële kaalslag, vernoemd naar het opgeslokte buurtschap Doornhoek, is op 28 april 2004 voorlopig tot staan gebracht. Toen trok een colonne van vierhonderd Zijtaarters fietsend op naar het gemeentehuis in Veghel. Ad van Nunen, voorzitter van de dorpsraad: ‘We werden daar serieus genomen omdat we er met zoveel volk waren en omdat we onze argumenten heel goed hadden voorbereid. We hadden wel spandoeken bij ons, maar niet met lompe teksten. Daar houden wij hier niet van.’

Inmiddels is er alweer een andere actuele dreiging: een snelweg om het dorp heen.

Voor het eerst een homo

Cor van Zutphen (66), gepensioneerd metselaar, is 57 jaar lid van Sint Cecilia. Hij speelt tenorsax. Wij treffen hem in de voorouderlijke boerderij waar nu zijn broer Albert (61) woont, 52 jaar lid, leraar architectuur op een mbo-
instelling en bouwkundig adviseur. Zijn instrument is de schuiftrombone. De hal hangt vol met meer dan een halve eeuw fanfareglorie, vele vierkante meters muzikale triomfen.

Aan tafel zitten nog twee andere oudgedienden. Hans Habraken (53), 43 jaar lid, recep-tionist bij een Mercedes-dealer, hij blaast op de baritontuba. Zijn broer is de (solo)trompettist Harrie Habraken (51), 41 jaar lid van fanfare, van beroep monumentenwacht.

Het met elkaar optrekken in het dorp, van jong tot oud, is voor hen zo vanzelfsprekend dat ze niet goed weten wat hierover voor opmerkelijks te melden valt. Albert: ‘In de blaaskapel van de fanfare spelen we met blazers van 17 tot 67. Na afloop gaan we met zijn allen pokeren. Met jongens die nog jonger zijn dan mijn eigen kinderen. Daar let je helemaal niet op. De volgende dag moet ik van een van de jongens, Paul de drummer, het werk bekijken. Hij is student bij mij. Het valt dan niet mee om het streng te doen, maar het moet wel.’

Hun kinderen zitten op de fanfare of hebben erop gezeten, hun eigen ouders bliezen destijds ook al in Sint Cecilia. Cor: ‘Er waren toen nog geen formele muzieklessen met
diploma’s A en B. Wij leerden het op de boerderij van Ties Habraken, in de keuken of op stal. Kon Ties intussen ook naar zijn koeien kijken. Het was hier allemaal nog arm, ook bij de fanfare. Je kreeg een oud instrument waarin de smid de gaten had dichtgemaakt.’

Hans: ‘Je had hier toen als kind niks te vertellen. Mijn vader kwam thuis en zei dat hij mij had opgegeven voor de fanfare. Jan van ome Ties ging ook mee. We bliezen ergens op een slaapkamer, zittend op de rand van het bed.’

Albert: ‘Vroeger was er minder discipline. Sommigen glipten onder de repetitie al het café in. Nu zijn wij op maandagavond van acht tot tien druk bezig, met maar vijf minuten pauze. Dan kruipen alle meiden snel bij elkaar om bij te kletsen. Sociaal contact, dat is gezellig.’

Hans: ‘In grote plaatsen is het veel sterieler: blazen en naar huis.’

Albert: ‘Sociaal contact is iets anders dan steeds op elkaar letten. Maar onbewust doe je het hier toch al niet buiten het boekje.’

Harrie: ‘Er is hier geen behoefte om echt rare dingen te doen.’

Hans: ‘Een jaar of tien geleden hadden wij voor het eerst een trompettist die homo was, maar daar werd niet over gepraat. En er werden ook geen grapjes over gemaakt.’

Albert: ‘Spelen in een fanfare geeft een veilig gevoel. Je hebt het druk in je werk, er is allerlei stress, maar als je speelt, concentreer je je op de noten, je hoort de muziek om je heen en daar word je heel rustig van. Heerlijk,
ónze muziek.’

Verschillen met de buitenwereld spelen voor hen een veel grotere rol dan onderlinge spanningen. Harrie: ‘Wij kwamen hier zo groen als wat van de basisschool. In Veghel zagen ze ons als boeren die nergens van wisten. Daar werden ze niet zo beschermd opgevoed, ze waren wijzer. Dat geldt denk ik nog steeds wel een beetje. Ze kunnen er omgaan met buitenlandse kinderen, hier woont geen enkele allochtoon.’

Albert: ‘Ik was de derde Zijtaarter die in Veghel naar de hbs ging. De kinderen daar hadden een mond van hier tot ginder.’

Harrie: ‘Die meiden van ons fietsen tegenwoordig nog steeds als groepje naar Veghel toe en blijven daar op school ook als groepje bij elkaar.’

Louis van de Bilt, de zakenman-in-ruste, herkent de opvattingen in het dorp waar hij al dertig jaar woont. ‘Ik wil er hier zeker niet boven staan, maar ik merk dat ze dat wel van mij verwachten. Ik ga naar carnaval, maar ik ga niet hossen. Dat hoort ook niet bij me. In de kroeg sta ik gezellig mee te tetteren, maar ik houd op tijd op. Ik wil in alles respectvol blijven, dat is mijn rol hier.’

Zijn presidentschap van de fanfare heeft alles met dit respect te maken. ‘In een ziekenhuis zit ik in de raad van toezicht en bij Sint Cecilia heb ik eigenlijk ook zo’n toezichthoudende rol. Je zou mij een Neutrale Beschermingsfactor kunnen noemen. Goed kijken, maar je er niet veel mee bemoeien. De voorzitter en het bestuur zijn heel duidelijk verantwoordelijk. Ik let er een beetje op de verhoudingen: klikt het in het bestuur en tussen het bestuur en de mensen. Of is er een conflictje met een andere vereniging. Dan zeg ik: ik zou het zo niet doen, of juist wel.

Ik heb ook goede contacten met de gemeente. Hier zeggen ze: gij kent die mensen allemaal. Als er dan een plan naar de gemeente moet, leg ik uit hoe je zoiets aanpakt. Of ik zeg tegen iemand: je hebt wel gelijk, maar toch zou ik het zo niet doen, want dan lukt het niet.’

Bretels met muzieknoten

Ton Habraken (43), timmerman van beroep, begon dertig jaar geleden op de bugel, nu blaast hij op een euphonium. Peter van Zutphen (40), chauffeur op een graafmachine, speelt al 34 jaar trompet. Het zijn de enige twee leden van de fanfare tussen de veertig en de vijftig. Ze zijn lid geworden vlak voordat Sint Cecilia door de komst van een nieuwe dirigent de kroeggemoedelijkheid ontsteeg op weg naar meer professionaliteit en een snel toenemende roem.

Peter: ‘Er waren twee marsen, Arosa en San Carlo: als je die kon spelen, mocht je mee op straat. Oom Albert bekeek zo’n beetje of je het kon. Het ging eigenlijk vanzelf, je deed mee met de rest. Nu komt er veel meer bij kijken. Ik zou iedere dag moeten oefenen, maar dat lukt niet, ik ben al blij als de kinderen stil in bed liggen en dan kan ik niet gaan zitten blazen op mijn trompet.’

Ton: ‘Onze dochter van elf speelt nu altsax in het opleidingsorkest. Zo trekt de fanfare door al die generaties en dat is mooi.’

Peter: ‘Onze zoon had toen hij een jaar of twee, drie was al bretels met muzieknoten erop en een speelgoedtrompet.’

Ton: ‘Het enige verschil is: als je vijftien bent, ga je naar huis terwijl de rest een pilsje pakt.’

Peter: ‘En tegenwoordig gaan ze naar hogere scholen. Al hoeft iemand die op het atheneum zit niet beter te spelen, iemand met lbo kan een betere muzikant zijn.’

Ton: ‘Maar het is toch prachtig dat een student elke maandagavond uit Maastricht naar Zijtaart komt voor de repetitie. Zo bindt dat. Bij de presentatie van de nieuwe uniformen van de Blaaskapel werden wij per sectie voorgesteld aan het publiek. Zo ook de saxen: twee meiden van negentien en Cor van Zutphen, toen zestig. Het gordijn ging open en daar stond Cor, links en rechts geflankeerd door Karen en Corien, en ze namen Cor samen bij de arm en Cor genoot. Toen dacht ik: wat mooi dat het zo gaat op ons dorp.’

Peter: ‘Ik heb daar nooit bij stil gestaan, zo gewoon is dat hier.’

‘Ze willen hier wel degelijk onderling afwijken in prestatie,’ zegt president Louis van de Bilt. ‘De een kan beter leren dan de ander, de een heeft een betere baan, maar ze willen niet afwijken naar buiten toe. Het is toch fantastisch dat meiden die op de Nijmeegse universiteit zitten elke maandag met een
autootje, dat een beetje gesubsidieerd wordt, hier naar toe rijden om mee te blazen op de repetitie. Waar heb je dat nog? Het is het
huiselijke gevoel van Zijtaart. Bij mijn vijfentwintigjarig jubileum heb ik de hele fanfare naar ons bedrijf in Norwich gehaald. Ze zijn ook met vijftig man in ons huis aan het Veerse Meer geweest, wij zijn met zijn allen wezen varen en dan is het één geweldige groep. Bijna iedereen is hier heel erg op Zijtaart gericht. Maar het is geen Brabants Staphorst, voor geen meter. Er is geen bekrompenheid. Gewoon doen is het ideaal, maar verder moet iedereen leven zoals hij wil. Er is hier ruimte voor andersdenkenden.’

Gordijnen opzij

Marloes van Gemert (26), bijna dertien jaar lid, is logopediste. In Sint Cecilia speelt zij sopraansax. ‘Op mijn meisjeskamer had ik een grote foto van Berdien Stenberg met haar dwarsfluit. Dat was mijn ideaal. Maar ons mam zei: met een dwarsfluit kun je niet bij de fanfare, en dat wou ik.’

Peggy van Sleuwen (28), dertien jaar lid, werkt als fiscaal jurist, speelt bugel en leidt het opleidingsorkest.

Bjorn van der Heijden (32), drieëntwintig jaar lid, speelt ook bugel en is de leider van de Blaaskapel van de fanfare. Hij is calculator bij een bouwbedrijf.

Twee afgestudeerde hbo’ers en een academica, en vol overtuiging teruggekeerd naar Zijtaart. Peggy: ‘Toen ik in Tilburg op kamers ging om er rechten te studeren, hoorde ik andere meiden praten over een nieuw leven dat wij nu moesten opbouwen. Ik dacht: een nieuw leven? Kom nou! Ik heb in mijn dorp al mijn mensen, al mijn vrienden, dan ga je toch geen nieuw leven opbouwen met allerlei mensen van wie je nog helemaal niet zeker weet of je er van op aan kunt.’

Alledrie hebben ze aan hun studietijd eigenlijk geen nieuwe vrienden overgehouden, ze waren al voorzien. Van hun leeftijdgenoten is ongeveer de helft in Zijtaart blijven wonen. Van de andere helft is een deel nog betrokken bij allerlei verenigingen in het dorp.

Peggy: ‘Toen ik studeerde, hoorde je wel: hè, zit jíj bij een fanfare? En loop je dan ook in zo’n apenpakje over straat?’

Marloes: ‘Wij waren met een reis mee en als je dan vertelt dat je in een fanfare speelt, dan reageren ze heel afgemeten. Ze denken dat het oubollig is en hebben er geen idee van dat wij ook samen met een popgroep spelen.’

Bjorn: ‘En onze blaaskapel is wel mooi naar de Elfstedentocht geweest en naar het WK in Stuttgart. Als je dat vertelt, krijgen ze er wel een ander beeld van.’

Toen ze acht jaar waren, zijn ze alledrie op de basisschool begonnen met AMV, Algemene Muzikale Vorming. Daarna gingen ze bij de fanfare instrumenten bekijken in de oefenruimte, de grote feestzaal achter café Kleijngeld. Marloes: ‘Ze leggen er dan
alleen die instrumenten neer waarvoor ze spelers nodig hebben.’

Dan volgen tegenwoordig een hele reeks muzieklessen met de diploma’s A tot en met D.
Peggy: ‘Als je voor het eerst mee de straat op gaat, moet je tegelijk muziek maken, marcheren, en ook nog ademhalen. Best ingewikkeld.’

Marloes: ‘Je wordt ertussen gezet en dan loop je mee. Niet botsen, niet achterblijven, opzij kijken of je in de bocht wel snel genoeg loopt of genoeg inhoudt.’

Bjorn: ‘Je let vooral op degene die voor je loopt. Als de allervoorste niet om een paardendrol heen loopt, stappen we er allemaal in.’

Marloes: ‘Ik ben vorig jaar getrouwd, is de fanfare ook komen spelen. Ik weet zelf dat er voor hen geen reet aan is, maar voor mij was het op dat moment geweldig. Twintig majorettes staan alleen voor jou en je man te dansen. Prachtig!’

Peggy: ‘Als de grote trom door het dorp klinkt, boemboem, gaan de gordijnen opzij en de voordeuren open. Auto’s worden tegengehouden, daar komt geen politie aan te pas.’

Bjorn: ‘Het is gewoon super, ook met de blaaskapel. Je staat met zijn allen heerlijk muziek te maken en je krijgt nog applaus ook. Het verschil met voetballen is: je kunt nooit verliezen, het ergste dat je kan overkomen, is dat je op een concours eens een keer geen prijs wint.’

Peggy: ‘Hier is iedereen samen.’

Bjorn: ‘Op bepaalde mensen trek je natuurlijk meer dan op andere.’

Peggy: ‘Hier weet je van iedereen hoe die is, je kent elkaar al vanaf jonge leeftijd.’

Marloes: ‘Hier is een keer een jongen uit de kast gekomen, hij vertelde ook aan mij dat hij homo was. En als je hier op vrijdagavond iets vertelt, weet zaterdag het hele dorp het. Hij vond het toen heel moeilijk
alleen de kroeg van Kleijngeld binnen te
komen, terwijl iedereen naar hem keek. Ik heb met hem afgesproken op de Bocht, en toen zijn we samen naar binnen gegaan. Dan krijg je ook wel geouwehoer. Je hoort overal om je heen: “hum, daar is ie”, maar daarna is het ook voorbij. En praat niemand er meer over. Hoort allemaal bij een dorp. Mijn vriend moet daar bijvoorbeeld niks van hebben, die is niet van hier.’

Peggy: ‘Toen ik zestien was, dacht ik wel eens: spelen met die ouwe kerels. Maar nu zitten we heel leuk te praten. Het zijn ook mannen die al zoveel gesjouwd hebben voor het orkest.’

Marloes: ‘En als eentje eens een keer te veel wijn drinkt, zorgen wij dat we hem goed thuis krijgen.’

Bjorn: ‘Je merkt wel de generatieverschillen als het bijvoorbeeld over drank gaat. Toen zij jong waren, was het heel gewoon om met drank op achter het stuur te kruipen en op een rotonde rechtdoor te rijden. Dat kan niet meer.’

Bjorn: ‘Ouderen denken soms ook wel anders over die nieuwe industrieterreinen. Zij zeggen eerder dat het goed is voor de werk-gelegenheid terwijl wij het vooral heel lelijk vinden. En over die nieuwe rondweg zeggen zij: komt er in elk geval minder verkeer door het dorp. Prima.’

Uit de groep gegooid

Peggy en haar vriend hebben in Zijtaart een tweekapper kunnen kopen, maar een huis krijgen in het eigen dorp is voor veel jongeren een groot probleem. Peggy: ‘De dochter van de buren is getrouwd met een broer van een vriend van ons. En zo wisten wij dat de mensen die hier woonden, gingen scheiden.’

Bjorn: ‘Maar dat wist het hele dorp al.’

Peggy: ‘Wij hebben toen gebeld en zijn over het huis gaan onderhandelen, er heeft nooit een bord in de tuin gestaan. Zo kom je er dan tussen.’

Ze zitten alledrie in Zijtaartse vriendengroepen die al bestaan sinds de basisschool en vaak een eigen website beheren. Marloes: ‘In onze groep 8 van de basisschool zaten vierentwintig kinderen. Er was een vriendengroep van zes en eentje van negen. De rest waren vooral gabbers en die vielen erbuiten. Die twee groepen vonden elkaar heel stom. Maar als je met carnaval wilt meelopen met een praalwagen heb je een grote groep nodig, anders lukt het niet. Daarom zijn die groepjes van zes en negen samengegaan, en toen vonden we elkaar niet stom meer. Die grote groep bestaat nog steeds. Jarenlang zijn we vanuit het dorp op stap gegaan in grote taxi’s. Nu wil iemand op zaterdag ook wel eens liever op de bank blijven hangen. Maar laatst dacht ik: over tien jaar vieren wij met onze vriendengroep Sinterklaas samen met onze kinderen. En die krijgen hier dan weer hun eigen vriendengroepen. Dat zal nog lang zo doorgaan, als we ons dorpse
karakter kunnen houden en niet opgeslokt worden door Veghel. Verjaardagen doen we samen, we zijn ook met zijn allen op vakantie gegaan, een hele tentenstraat was van ons.’

Bjorn: ‘Dat is dorps.’

Marloes: ‘Je ergert je in zo’n groep natuurlijk ook wel aan elkaar. Schiet toch op, kloothommel. Maar omdat we elkaar al zo lang kennen, kunnen heel veel dingen uitgesproken worden.’

Het laatste weekend van september is nog steeds het vriendenweekend. ‘Met zijn allen naar een kampeerboerderij bij Valkenburg. Kindjes gaan niet mee. Maar als er nu bij
iemand thuis een verjaardag is, wordt er al een slaapkamer ingericht als kinderkamer.’

Het groepsleven kent ook zijn harde kanten. Marloes: ‘Toen wij een jaar of vijftien waren, hebben wij een jongen uit onze groep gegooid. Hij paste er op een of andere manier niet meer bij, wij waren hem helemaal zat. Ja, dat is dan wel hard.’

Bij de vraag of dit dorpse groepsleven af en toe niet vreselijk benauwend is, kijken ze fronsend naar de vreemdeling. Bjorn: ‘Het is gewoon veilig. Als iemand iets doet dat niet door de beugel kan, dan wordt dat gecorrigeerd.’

Peggy: ‘Of getolereerd. Hier in de straat heeft een man een heg, zo strak, je kunt er een waterpas op leggen. Een jongen heeft daar een paar vuurpijlen in geschoten zodat een stuk van die keurige haag in brand vloog. Die man wist vrijwel meteen wie het gedaan had en dat is toen uitgepraat.’

Bjorn: ‘Je kunt zeggen, het is sociale controle, maar het is gewoon dorps, het hoort bij hier.’

Marloes: ‘Maar mierenzeikers worden niet geaccepteerd. Mierenzeiken is om niks de
politie bellen of meteen zeuren over geluidsoverlast.’

Bjorn: ‘Is dat benauwend? Het is overzichtelijk en geeft een gevoel van veiligheid.’

Marloes: ‘En je bent bij alles wat er gebeurt betrokken voor zover je dat zelf wilt.’

Peggy: ‘Hier in de straat kun je elke zondagavond bij iemand gaan darten, maar dat doe je of dat doe je niet. En alle roddels kun je negeren of naar je toe trekken.’

President Louis van de Bilt: ‘Er zijn hier wel mensen die op zichzelf leven, maar dat zijn geen dropouts. Zij trekken zichzelf terug, en dat vindt iedereen ook prima. Ze zijn dus niet door het dorp uitgespuugd. Er wonen hier twee vrouwen die samen twee kinderen hebben en daar is geen aversie tegen. In het begin moest het wel wat wennen, maar ze doen volop aan alles mee. Niemand kijkt hen met de nek aan. Het draait hier om: gewoon doen, leven en laten leven. Wat je zeker niet moet doen, is arrogantie vertonen. Dat wordt snel de kop ingedrukt. Op arrogantie wordt gereageerd door het te negeren. Arrogantie is strijdig met het gewoon doen, met “ut kumt zo as ut kumt”, het komt zoals het komt. Vreemdere eenden dan wij waren, is niet goed mogelijk. Wij kwamen hier in de ogen van het dorp duidelijk als rijke stinkerds, en dat was natuurlijk nog waar ook. We kochten de pastorie, hun pastorie, die destijds door de gemeenschap was betaald. Hier in deze kamer heeft iedereen zitten biechten of liegen. Jeanne en ik vroegen ons af: als wij midden in het dorp gaan wonen, in het grootste huis, zijn wij dan ook bereid mee te doen aan het sociale leven hier? Dat hebben we volop uitgeprobeerd en de ruimte om ertussen te
komen is er volop, als je zelf maar wilt. Ze halen je ook aan: hé, kom je even helpen snoeien op de tennisbaan?’

Louis van de Bilt is in de loop der jaren gaan genieten van de hechte samenhang in zijn dorp. ‘Veel bedrijven zouden het graag zo willen. Er is hier geen verschil tussen de generaties omdat iedereen al generaties lang betrokken wordt bij alles wat hier gebeurt. Het groeit met elkaar op, er zijn hier heel veel familiegebonden relaties.’

Maar Zijtaart is heus niet het aards paradijs van vóór de zondeval. Er wordt vreemdgegaan, relaties lopen stuk, gezinnen vallen soms uit elkaar. Het dorp probeert dan te helpen met allerlei netwerken in hulpverlening en zorg. ‘Iemand die in de problemen zit, wordt door allerlei mensen opgevangen. Er is respect voor ieders eigen leefpatroon. Maar de meeste mensen hier willen niet
afwijken. Waarom zou je?’

Tiroler muziek

Paul Schepers (19) is drummer en student mbo-bouwkunde in Den Bosch waar Albert van Zutphen (61, schuiftrombonist) architectuurles geeft. Ondanks hun leeftijdsverschil van 42 jaar noemt Paul zijn docent ook op school bij zijn voornaam. ‘Hij is voor mij van jongs af aan altijd Albert geweest, ik denk er nooit aan dat hij meer dan veertig jaar ouder is. Ik kom vaak bij Albert thuis op feesten, daar zijn dan ook andere leraren en die noem ik daarom ook bij de voornaam.’

Er is wel een verschil. De grijzende docent gaat af en toe per fiets naar school, de jeugdige drummer nooit. Hij stapt een kilometer buiten het dorp, op de rotonde bij het wokrestaurant, in de streekbus. Paul is twaalf jaar lid van Sint Cecilia. ‘Ik wilde meteen al geen blokfluit maar keyboard, ik ben geen blazer, ik ben met mijn handen.’

Rob Schepers, neef en vriend van Paul (19), studeert hbo-verpleegkunde in Eindhoven, is ook vanaf zijn zevende lid en speelt bastrombone.

Marjan van Asseldonk (22), ook mbo-student, blaast vanaf haar zevende saxofoon. ‘Er zijn nu weer negen nieuwe meiden, allemaal sax.’

Rob: ‘Wij zijn met zijn vieren de schuifsectie. Twee mannen van in de zestig en twee jongens van negentien. Het enige verschil is dat het bij sommige ouderen allemaal wat langzamer gaat. Als wij van de dirigent bij maat 68 moeten zijn, begint iemand soms bij 8. Ze pakken het wat moeilijker op.’

Hij ergert zich daar niet aan. ‘Ergeren? Nee, waarom zou je? Maar dat is misschien dorps. Je ziet elkaar vaak, je bent er helemaal aan gewend met oudere generaties om te gaan.’

Marjan: ‘Ouderen houden wel meer van schlagers, Tiroler muziek, polka’s. Ik speel dat
natuurlijk wel, maar ik heb liever de modernere stukken in de fanfare.’

Rob: ‘De kopnummers, dat zijn de nummers die iedereen uit zijn hoofd kent (ze beginnen met zijn allen te neuriën), worden al generaties aan elkaar doorgegeven. Burch-wacher, Little Lady en natuurlijk de River Kwai en de Bolero van Ravel. En altijd weer: U zij de glorie. Die gaan er altijd goed in bij het publiek.’

Paul: ‘Wij doen liever René Schuurmans, swingend, een beetje tempo. Die oude hangnummers vind ik persoonlijk helemaal niks.’

De stad is in alles anders, concluderen zij eensgezind. Paul: ‘Op mijn opleiding snappen ze nog wel een beetje wat een fanfare zo ongeveer is, maar Zijtaart? Waar woon je, zeg je? In Zijtaart? Wij zijn echt de middle of nowhere. Op school hebben Albert en ik een keer opgetreden en dat vonden ze allemaal prachtig. Maar een stel klasgenoten is hier ook een keer op bezoek geweest en stapte in het donker uit bij de rotonde bij de wokchinees. Een van die jongens belde: wij staan hier op een donkere rotonde en hier is helemaal niks. Ik ben er snel heen gegaan. Die jongens uit de stad verbazen zich erover dat veel huizen hier nog ver van elkaar afstaan, met daarachter meteen weilanden. En ze verbazen zich over mijn taal. Op school praat ik ABN, maar hier kan ik heel plat Brabants praten, ik praat hier haast het platst van iedereen.’

Rob: ‘In een dorp hoor je bij de hele gemeenschap, in de stad hoor je vooral bij jezelf, het is er egoïstischer. Als alles voor jou maar positief is, dan maakt het verder niet uit. Op een dorp moet een ander er ook baat bij hebben. Dat gaat niet vanzelf, als je erbij wilt
horen. Je moet er iets voor willen doen. Als je alleen aan jezelf denkt, lukt het hier niet.’

Paul: ‘In onze vriendengroep van twaalf zitten nog steeds alle jongens uit groep 8 van de basisschool, op drie na. Eentje is er uitgegaan omdat wij met hem niet op één lijn zaten, hij rookte toen al en ging ook liever om met
oudere jongens. Een ander kwam steeds minder vaak en dat werkt ook niet. En de derde wou er zelf niet bij.’

Marjan: ‘Je hoort er niet bij als je bijvoorbeeld criminele dingen doet. Maar in onze klas hoorden twee jongens er ook niet bij omdat ze sloom waren en saaie kleren aan hadden.’

Niet op kamers

Politiek is geen wezenlijk onderdeel van hun leven. Paul: ‘Politici, daar houden wij ons hier niet mee bezig, die doen allemaal zo moeilijk.’

Marjan: ‘Ik zie wel die foto’s uit Gaza, maar ik weet echt niet hoe die oorlog is ontstaan en waar het door komt.’

Rob: ‘En dat gedoe over die Fitna-film van Wilders. Iedereen riep dat er van alles zou gebeuren en dan gebeurt er helemaal niks. Dan hoef je dat vanuit Zijtaart toch ook niet te volgen. Ouderen interesseert politiek ook niet, het interesseert ons geen drol, wij hebben het er hier nooit over. Als het CDA weer iets heeft verzonnen, is dat iets in dezelfde categorie als: het is vandaag slecht weer, of mooi weer. Het dorpsleven is voor ons veel belangrijker.’

Paul: ‘De moslims moeten het land uit, daar zijn wij ook niet mee bezig.’

Rob: ‘Ik denk dat je er hier als moslim wel buiten zou vallen. Net als Polen. In het huis naast de fietsenwinkel zit een stel Polen die hier in de buurt werken. Er was hier een inbraakgolf en dan hoor je al gauw: dat zullen die Polen wel gedaan hebben. Maar dat is natuurlijk ook onzin.’

Paul: ‘Ik probeer hier op straat wel eens een praatje te maken met zo’n Pool, maar dat valt niet mee.’

Rob: ‘Maar wij zijn natuurlijk ook heel erg samen, met ons zelf. Sta je op vrijdagavond aan de bar en komt er een vreemde binnen. Wie is dat, wie is dat, wie is dat: je hoort het overal rondgaan door de kroeg. Een vreemde!’

Gaan ze trouwen met iemand uit Zijtaart? Het levert een langdurige lachbui op. Rob: ‘Ik ben negentien! Ik ben daar echt niet mee bezig. Eerst feestvieren. Het is niet zo dat het iemand uit Zijtaart moet zijn, misschien ken je iedereen wel te goed. Maar we zeggen wel onder elkaar: je moet er ook niet verder dan een half uur voor hoeven fietsen.’

Marjan: ‘Als ik hier een jongen alleen maar aanraak, weet iedereen het meteen. Maar daar hóéf je je niet mee bezig te houden. Ik heb een broer en die kent niemand. Van hem hoeft Zijtaart niet zo, hij is op kamers gegaan. De meeste mensen hier in het dorp denken dat ik alleen een zusje heb. Mijn broer wilde er zelf niet bij horen. Iemand die het wel wil, maar erg verlegen is, proberen wij er wel bij te
betrekken. Slomeriken heb je overal.’

Rob: ‘Bij het uitkiezen van mijn hbo-opleiding heb ik er juist heel goed op gelet dat ik er met de bus kan komen. Niet op kamers! Wij zijn hier allemaal gezellig conservatief in die zin: in ons dorp hoeft niks te veranderen, helemaal niks. Maar wij zijn niet in alles conservatief: zoiets als een glasvezelkabel moet hier vooral komen.’

Reactiemogelijkheid is gesloten.

Anoniem - Gravatar

Je kunt niet reageren op dit artikel.

Reageer