De oudste man
Mensen van boven de honderd worden jonger naar mate jezelf ouder wordt.
Als jong verslaggever heb ik honderdjarigen geïnterviewd die rond 1870 geboren waren. Ze hadden in hun lange leven de automobiel zien komen en de elektriciteit (‘het nieuwe licht’). Eentje had zich vol overtuiging verzet tegen de komst van de waterleiding (iedere periode heeft zich eigen principes en opwindingen). Maar omdat het kennelijk wettelijk verplicht was dat ieder woonhuis waterleiding kreeg, had hij uit puur chagrijn het enige kraantje helemaal achter in het huis laten plaatsen. Daarna stond zijn verdere leven in het teken van helder water uit de eigen regenput, waaraan geen overheidsbemoeienis of ambtenarendwang te pas kwam.
Voor dergelijke oude mensen was de Eerste Wereldoorlog de enige oorlog die er echt toe deed. Nederland was toen weliswaar neutraal, maar veel mannen waren meer dan twee jaar van huis geweest om in Utrechtse forten de Hollandse Waterlinie te bewaken. In die dagen was er nog geen klaagteevee en de kranten besteedden nauwelijks aandacht aan het menselijk ongerief, dus iedereen moest een dergelijke tegenslag verwerken in de eigen kleine kring, en dat had ook wel iets rustigs. Naar mate wij tegenwoordig meer van andere mensen weten, interesseren zij ons minder.
De nu oudste man van Nederland, de nog kwieke 106-jarige Jos Wijnant uit Den Bosch blijkt, toen ik het voor de zekerheid even narekende, geboren in 1902. Dat viel me eerlijke gezegd een beetje tegen. Mijn eigen vader was er negen jaar later ook al, maar die is er al heel lang niet meer. Er leeft in Nederland dus geen man meer die de negentiende eeuw nog heeft aanschouwd, een curieus idee.
Jos Wijnant draagt iedere dag een stropdas ten teken dat de beschaving nog niet geheel en al ten dode is opgeschreven. In deze hete dagen zie je ze ook wel eens door de stad wandelen: oude mannen met stropdas, en, heel soms, een oude dame met een luchtig zomerhoedje. Het heeft iets geruststellends.
De heer Wijnant (dat Jos vind ik bij nader inzien toch wat te familiair) is geboren in Antwerpen en kwam als twaalfjarige jongen als vluchteling aan in Den Bosch, want in België hadden ze wel een echte Eerste Wereldoorlog. Op het hoofdstation werd hij verwelkomd door een groep Bossche vrouwen, die uit volle borst stonden te zingen: ‘Weg met de Belgen, ze vreten alles op!’.
Zo kennen wij elkaar weer.
Als de vreemdelingenhaat andermaal opspeelt is het tegenwoordig de gewoonte om weemoedig vast te stellen dat Nederland toch altijd zo’n vredig landje is geweest, waar vreemdelingen een veilig heenkomen konden vinden. Het heden hebben wij duidelijk niet meer in de hand, maar het verleden is redelijk plooibaar. Ik geloof die mooie verhalen nooit, wij hebben hier, vrees ik, altijd al een zeker percentage onaangename, onverdraagzame mensen gehad, van wie de horizon niet veel verder reikt dan het benepen cirkeltje van het eigenbelang. Ik kijk er daarom niet van op dat Bossche vrouwen in 1914 naar het station gingen om Belgische vluchtelingen uit de jouwen. ‘Ze vreten alles op’, klinkt nogal plat, maar wie regelmatig op straat loopt in de hoofdstad van Brabant, weet dat het er ook hier behoorlijk plat aan kan toegaan. Niet alles is hier even verheven als de Sint Jan. Verzuurde tufsteen kun je trouwens restaureren, met verzuurde mensen is dat doorgaans lastiger.
Ik kijk nog eens uitgebreid naar de foto van onze 106-jarige. Hij heeft carrière gemaakt ten stadhuize, heeft als loco-gemeentesecretaris nog allerlei burgemeesters gediend die wij alleen kennen als straten, pleinen of bruggen. Op zijn raam, helemaal rechts op de foto, heeft hij op zijn oude dag vrolijke vlinders geplakt.
Hij heeft zich niet van de wijs laten brengen door ‘Weg met de Belgen, ze vreten alles op’, hij is een vriendelijke heer gebleven.
Search
Tony schrijft
Categorie
Archief
Bekijk ook
- pluk amsterdam
leuke site van ester en maaike over daktuinen
- tom janssen, cartoonist
- lokaalmondiaal
- Uitgeverij Balans
- VeertienElf Media

Reageer